in het rechte-eind

We gaan er vanuit dat schaatsen een totaalbeweging is en niet een optelsom van verschillende deelbewegingen.

We hebben gekeken naar de beweging die een goede schaatser maakt als hij op hoge snelheid schaatst. We hebben die beweging gekoppeld aan een aantal mechanische uitgangspunten. We zijn tot de conclusie gekomen dat het van groot belang is dat je je gewicht zo kort mogelijk op twee benen moet dragen. Vereenvoudigd stap je dus, bijna net zoals bij wandelen, van je ene voet op de andere. Bij het schaatsen duw je je lichaam recht opzij van je schaats en zet je ook je andere voet weer zo onder je dat je daarna weer zo goed mogelijk kunt afzetten.

De Basisbeweging draait voor een groot gedeelte om afzetten (effectief je energie omzetten in voorwaartse snelheid) en glijden (ontspannen snelheid vasthouden). Voorwaarde hiervoor is een juiste (ver) houding: glij op 1 been met kleine enkelhoek, en daarbij horende knie en heuphoek. Terwijl je je enkelhoek verkleint en de druk richting bal van de voet verschuift, duw je je schaats met de bal van je voet in het ijs. Terwijl je duwt/ je je knie naar voren drukt, zal je been steeds schuiner t.o.v. het ijs (moeten) komen. Je andere been hangt ondertussen ontspannen onder je lichaam. Op het moment dat je niet langer meer kan duwen, komt dat been als vanzelf naar voren, onder je lichaam. Klaar voor de volgende slag. Hoe groter de hoek van het afzetbeen t.o.v. verticaal hoe efficiënter

met als aandachtspunt: houding

met als aandachtspunt: balans

met als aandachtspunt: afzetten

met als aandachtspunt: plaatsing

met als aandachtspunt: bijhaal

met als aandachtspunt: glijden/snijden/sturen

met als aandachtspunt: ritme

met als aandachtspunt: timing