in de bocht

Bocht

De bocht is een enorme uitdaging voor de meeste mensen. Als een bocht goed gaat, ziet dat er fantastisch uit. Veel cursisten willen graag zo snel mogelijk met de bocht beginnen. Zelfs beginnende cursisten vragen al wanneer dat aan bod komt. In principe hoef je ook niet zo heel lang te wachten met het aanleren van de eerste beginselen. Voor de bocht is het eigenlijk al voldoende als iemand redelijk recht op de schaatsen staat, een redelijk goede timing in de totaalbeweging heeft en een beetje over de val-angst heen is. 

Door het dynamisch evenwicht waarin je je in de bocht bevindt, is er geen weg terug zodra je eenmaal aan de bocht begonnen bent. Je kan niet, zoals op het rechte stuk, even een slag laten lopen. Je moet druk blijven houden, dus in ieder geval blijven hangen. Doe je dit  niet, dan komen de kussens ineens snel dichterbij. Dit is juist het spannende en mooie van het schaatsen van de bocht. Daarom is de bocht voor veel mensen lastig, er is moed nodig om je er volledig aan over te kunnen geven.

Basis

Het doel van een bocht op een ijsbaan is om binnen een afstand van 100 meter 180 graden te draaien, waarbij de curve van de baan wordt gevolgd. Om de snelheid van het rechte eind in de bocht te behouden of op te voeren, zal met een aardige snelheid aan de bocht begonnen moeten worden. Door de snelheid word je de bocht uit geslingerd, je moet dus continu jezelf de bocht in blijven duwen om dat te voorkomen. Je moet schuin in de bocht hangen om jezelf steeds naar links te kunnen duwen.

 Overeenkomsten tussen bocht en rechte eind:

Punten waarin de bocht verschilt van het rechte eind:

 

Analyse vanuit Bewegings technische facetten

Schema 1 Bewegings technische facetten van elke beweging

 

Ritme

Doordat je in de bocht steeds een kant op hangt(en je dus niet van kant hoeft te wisselen), is het ritme een 1-2 ritme. Afzetten ene been en tegelijk plaatsen andere been. Het devies luidt: Smalle pasjes, lange slagen.

 

Frequentie

Frequentie in de bocht is anders(hoger) dan op het rechte eind omdat je van afzetfase naar afzetfase gaat (je hoeft niet van snijkant te wisselen) 

Uitgangspunt 7 Er is een frequentie die een optimum geeft tussen vermogen per slag en zoveel mogelijk slagen per tijdseenheid.

 

Timing

In de bocht gaat het vooral over de timing van de afzet. Deze moet vloeiend voortkomen uit het naar de binnenkant van de bocht drukken van het lichaam. Het is meer een constant druk houden op het ijs. Als de schaats de bocht mee instuurt dan wordt de druk iets verhoogd. Ben je te vroeg, dan zet je te veel naar achteren af. Ben je te laat, dan sterk je drukloos weg.

De richting van de beweging moet voldoen aan de volgende uitgangspunten.

1 Afzet dwars op de schaats.

2 Schaats moet snijden in het ijs voor grip in de afzet.

4 Een scherpere hoek tegen het ijs geeft een meer horizontale component van de afzet. wat meer snelheid geeft.

5 Meer gewicht tegen het ijs geeft meer kracht terug van het ijs.

6 Meer snelheid vereist meer terugsturen van de schaats om voldoende tijd en ruimte te geven voor kracht tegen het ijs.

 

Houding

Vermogen zul je moeten door het strekken van gebogen gewrichten. Enkel, knie en heup.

Hoe gebogen je gewrichten zijn heeft te maken met zaken als; getraindheid, aanleg.

Vanuit de schaats gekeken; 

Alles in verhouding met elkaar.

Uitgangspunt 3 Kleinere kniehoek geeft meer afzet potentie, lengte om af te zetten.

 

Balans

Krachten en dynamisch evenwicht. Als krachten met elkaar in (dynamisch) evenwicht zijn ontstaat er een balanssituatie.

Als een schaatser door een bocht gaat, werken er hoofdzakelijk twee krachten op zijn lichaam: 

De mate van de hellingshoek van de schaatser bepaalt hoeveel kracht er geleverd moet worden om de zwaartekracht te compenseren. Je moet dus voldoende afzetten. Dit moet kloppen met je snelheid(massatraagheid). Meer snelheid betekent schuiner hangen en dus harder afzetten.

Om niet de bocht uitgeslingerd te worden, hangt de schaatser met zijn lichaamsgewicht de bocht in. De vector van deze twee krachten bepaalt hoe schuin de hang van de schaatser is.

Naarmate de snelheid toeneemt wordt de schaatser met meer kracht de bocht uitgeslingerd. Om dit te voorkomen zal de rijder een grotere reactiekracht moeten leveren; schuiner hangen en met meer kracht zichzelf de bocht in duwen om tot een dynamisch evenwicht te komen. De hoek tussen schaatser en ijs wordt kleiner.

Fig 7 Hangen in de bocht

 

Analyse vanuit verschillende fases van de schaatsbeweging in de bocht

Afzet

Maak kleine pasjes. In de bocht ben je, in tegenstelling tot het rechte eind continue aan het afzetten tegen één van beide schaatsen. Je hebt constant druk en moet blijven afzetten om de bocht goed door te komen. Afzet is dwars op de schaats. Net als op het rechte eind strek je niet helemaal door maar zorg je er juist voor de de druk op het ijs vloeiend van het ene been overgenomen wordt door het andere been.

Wat je je goed moet realiseren is dat de glijrichting iets anders is dan de rijrichting. In onderstaande figuur staat bij twee glijrichtingen de afzetrichting. Deze is loodrecht op de glijrichting.

Fig 8 Richting van de schaats bepaald de richting van de afzet.

 

Bij het rijden van de bocht plaats je zowel je linker- als je rechterschaats zoveel mogelijk parallel aan de raaklijn van de bocht. Kan je op het rechte eind nog aardig uit de voeten als je je schaatsen in een V plaatst, in de bocht kan je zo niet goed hangen, afzetten en de baan volgen.

Uitgangspunt 1 Afzet dwars op de schaats.

Plaatsing

Voor een dynamisch evenwicht zal je ervoor moeten zorgen dat je schaatsen aan de rechterkant van het lichaamszwaartepunt op het ijs komen te staan. Op het moment dat je je schaats meer onder het lichaamszwaartepunt plaatst, is de hang weg. Om dit te voorkomen zul je de schaatsen dus zo moeten plaatsen dat je blijft hangen. Deze figuur laat zien dat beide schaatsen (Ls en Rs) buiten het lichaamszwaartepunt (Fz) worden geplaatst. Niet teveel naar binnen stappen, schuin blijven. In de praktijk betekent dit dat de pasjes de bocht smal moeten houden. Dus geen grote overstappen. Smalle pasjes betekent niet automatisch dat de slagen korter worden.

Fig 7 Hangen in de bocht

Uitgangspunt 1 Afzet dwars op de schaats.

Uitgangspunt 4 Een scherpere hoek tegen het ijs geeft een meer horizontale component van de afzet. wat meer snelheid geeft.

Uitgangspunt 5 Meer gewicht tegen het ijs geeft meer kracht terug van het ijs.

Bijhaal

De bijhaal in de bocht is kort van einde afzet naar gebogen onder het bovenlichaam zodat de schaats weer snel geplaatst kan worden rechts van het zwaartepunt. Het is meer knie-langs-knie“ i.pv. “pootje-over”.

Glijden snijden sturen

De glijfase is kort en is altijd snijdend met de linker-snijkant van de schaatsen. De glijfase loopt direct over in de afzet en stuurt gelijk mee met de bocht. 

Uitgangspunt 2 Schaats moet snijden in het ijs voor grip bij de afzet.

Uitgangspunt 4 Een scherpere hoek tegen het ijs geeft een meer horizontale component van de afzet. wat meer snelheid geeft.

Uitgangspunt 6 Meer snelheid vereist meer terugsturen van de schaats om voldoende tijd en ruimte te geven voor kracht tegen het ijs.

 

met als aandachtspunt: houding

met als aandachtspunt: afzetten

met als aandachtspunt: balans

met als aandachtspunt: plaatsing

met als aandachtspunt: ritme

met als aandachtspunt: timing

met als aandachtspunt: frequenties