Van begrijpen naar vertalen: 5/6 jaar

9 december 2013 Door: De Gastbloggers

Een stukje uit een les aan 5/6 jarigen: De kikkerprins

We zijn op een missie. Onze Prins wil dolgraag naar zijn prinses, maar die woont aan de andere kant van het land in een groot kasteel. Onderweg naar het kasteel komen we obstakel na obstakel tegen. De andere ridders en ik  rijden op onze paarden over de heuvels. We gaan steeds omhoog en dan weer omlaag. We komende door dichte bossen en slaan ons een weg door de dichtbegroeide struiken met onze zwaarden. Ondanks al die obstakels lijkt alles goed te gaan, maar op dat moment duikt een kwaadaardige tovenaar op. Met man en macht gaan we om onze koning heen staan, heffen onze schilden en zwaarden en proberen de tovenaar weg te jagen. Maar dan zegt hij zijn spreuk: Hocus Pocus Pilates Pas, Ik wou dat jullie prins een kikker was!! Neeeeee!!! Roepen alle ridders en jagen de tovenaar snel weg. Na een fel licht vlucht de kwade tovenaar. Gelukkig hij is weg. We draaien ons om uit blijdschap, maar wat er toen gebeurde was onbeschrijfelijk. De ridders slaakten een kreet van verbazing en hun monden vielen open. De Prins is veranderd in een kikker.

Dit is een deel uit een les, zoals die in Amsterdam eens werd gegeven aan 5/6 jarigen, gezien door de ogen van een kind uit die groep. De meester was de prins en de kinderen de ridders. De gewone wereld bestaat niet meer, maar een wereld van fantasie opent zich. Opeens is een ijsbaan geen ijsbaan meer, maar een paradijs waar zich verhalen in alle mogelijke vormen kunnen afspelen.

De kern van de les

Kinderen van deze leeftijd leren voornamelijk van fantasie en imitatie (voordoen – nadoen). Dit is de kern van een les aan 5/6 jarigen. Omdat zij helemaal opgaan in fantasie zijn ze eigenlijk alleen maar bezig om hun rol in de fantasiewereld uit te voeren en leggen geen directe link met een schaatsoefening. De oefeningen moeten dus zo in elkaar zitten dat ze tijdens de rol in de fantasiewereld worden uitgevoerd. En als instructeur ga je daar in mee. Hoe meer je je als instructeur inleeft in het verhaal dat je aan het vertellen bent, hoe overtuigender het overkomt.

Als we het voorbeeld van de kikkerprins nog eens bekijken, was de boze tovenaar een andere instructeur die het verhaal heel goed meespeelde. Zo goed zelfs, dat ieder kind volledig aandacht had voor de tovenaar en bezig was om hem weg te jagen en geen oog meer had voor wat er achter ze gebeurde. Ondertussen keerde de instructeur die de prins speelde zijn muts binnenstebuiten (van kroon naar een kikkerkop met kroontje), zonder dat de kinderen dit doorhadden. Toen de kinderen zich omdraaiden wisten ze van gekkigheid niet wat er gebeurd was. Je zal kinderbekjes niet vaak zo ver open zien vallen en dat bereik je alleen als jij als instructeur ook volledig meegaat in de wereld van de kinderen.

De grote boze wereld

Als je kijkt door de ogen van een 5/6 jarige, dan is alles nog heel erg groot. Het kind leert stapje voor stapje om grote dingen van elkaar te onderscheiden. Zeker in het begin is zo’n schaatsles voor deze kinderen nog vrij eng. Nieuwe mensen, nieuwe kinderen, weg van de ouders, nieuwe plek, schaatsen is moeilijk, ijs is glad en ga zo maar door. Allerlei factoren waardoor een kind zich ongemakkelijk kan voelen. Daarom is het heel belangrijk om in hier in het begin scherp op te zijn als instructeur. Probeer er zo snel mogelijk voor te zorgen dat de kinderen beseffen dat al die nieuwe dingen niet eng, maar juist heel leuk zijn! Zodra ze beseffen dat ze kunnen spelen op het ijs, zijn de mogelijkheden die je hebt met  5/6 oneindig.

Maken van een lesvoorbereiding

Waar let je op bij het maken en geven van een les in deze vorm? Het moest een verhaal zijn waar kinderen zich in kunnen verplaatsen. Het moet op een bepaalde manier “tastbaar” zijn. Dat wil zeggen dat de kinderen een beeld kunnen vormen van het verhaal.  Zorg er dan ook voor dat de basis van het verhaal vooraf al is bepaald. Binnen dat verhaal kun je kinderen zelf mee laten fantaseren. Waar het uiteindelijk om gaat is dat je dat fantasieverhaal gebruikt om je oefeningen te geven. Dus het maakt niet uit of je nou met een auto onder een tunnel door rijdt en je moet bukken, omdat je anders je hoofd stoot of dat je als ridder onder de takken van een dichtbegroeid bos door schaatst. Je bereikt dat kinderen hun knieën buigen een zich klein maken.

Van begrijpen naar vertalen

Begrijpen = wat gaat er om in het hoofd van een 5/6 jarige?

Lesgeven in de vorm van een vertelpantomime werkt bij kinderen van 5/6 jaar erg goed. Dat vinden ze leuk. Ook leren ze veel van voordoen – nadoen en dus werken je oefeningen nog beter als jij als instructeur daarin meegaat. Dan kun je gaan beginnen met vertalen.

Vertalen = Hoe vertel je een “serieuze” schaatsoefening op een dusdanige manier dat een 5/6 jarige de link legt met die oefening, hem uitvoert zoals jij het in gedachten had en het nog leuk vind ook?

De formule is als volgt:

Je neemt een schaatsoefening, bijvoorbeeld knieën buigen, billen zakken. Je vertaalt het naar de fantasiewereld, bijvoorbeeld muis. Het resultaat is dat kinderen hun knieën buigen en hun billen laten zakken.

Dit gebeurde ook bij het verhaal van de kikkerprins. Hieronder nog een aantal voorbeelden:

Om af te sluiten..

Dit is hoe wij het lesgeven aan 5/6 jarigen ervaren. Maar natuurlijk zijn wij ook benieuwd naar jullie ervaringen! Loop je ergens tegenaan, heb je iets leuks meegemaakt met deze groepen of wil je iets anders kwijt over deze leeftijdsgroep? Reageer dan op dit blog en deel dit met je mede-instructeurs!

Je kan op dit moment niet reageren.