Balans

Krachten en dynamisch evenwicht
Dynamisch evenwicht wil zeggen dat de krachten die op een schaatser werken precies met elkaar in evenwicht moeten zijn. Als een van de krachten verandert zonder dat de andere krachten veranderen, raakt de rijder uit balans en/of verandert zijn richting.

Als een schaatser door een bocht gaat, werken er hoofdzakelijk twee krachten op zijn lichaam:

  1. zwaartekracht
  2. centripetaalkracht(afzetten door schaatser) zoals je kunt zien in de afbeelding.  Samen met de massatraagheid, (snelheid van het lichaam) geeft dit een  evenwichtig krachtenspel in de bocht.

De mate van hellingshoek van de schaatser bepaalt hoeveel kracht er geleverd moet worden om de zwaartekracht te compenseren. Je moet dus voldoende afzetten. Dit moet kloppen met je snelheid(massatraagheid). Meer snelheid betekend schuiner hangen en dus harder afzetten.

Om niet de bocht uitgeslingerd te worden, hangt de schaatser met zijn lichaamsgewicht de bocht in. De vector van deze twee krachten bepaalt hoe schuin de hang van de schaatser is.

Naar mate de snelheid toeneemt wordt de schaatser met meer kracht de bocht uitgeslingerd. Om dit te voorkomen zal de rijder een grotere reactiekracht moeten leveren; schuiner hangen en met meer kracht zichzelf de bocht in duwen om tot een dynamisch evenwicht te komen. De hoek tussen schaatser en ijs wordt kleiner.