Methodische opbouw

Cursisten willen iets aanleren/ iets beter kunnen(schaatsen), hoe pakken wij dat aan.
Het eerste deel van dit verhaal is een theoretisch verantwoording. Deel 2 is meer praktisch.

 

Deel 1

De basis is dat we iets aanleren door te doen, door een “doe opdracht”. De opdracht is een “wat”. Wat gaan ze doen om beter te schaatsen. Natuurlijk op het niveau van de cursisten.

Uit zowel de ervaringen van instructeurs en cursisten als uit de wetenschappelijke literatuur komt naar voren dat het aanleren van een schaatsbeweging niet een lineaire weg bewandeld. Het aanleren van een (schaats)beweging gaat met horten en stoten, via zijwegen en ups en downs. Een duidelijk non-lineaire vorm dus.
Duosport hanteert daarom als heel lang (zeker 25 jaar) het idee van de leerspiraal. Je komt vaker langs dezelfde leerbehoeftes vanuit steeds een iets ander perspectief. Voordeel is dat als een onderdeel beter wordt, andere onderdelen meestal ook beter worden.

Echter; vaak wordt er alleen gedacht vanuit een; hoe moet een schaatser schaatsen. En dan een lineaire weg gezocht.

Een moeilijke vraag die ik als schaatsinstructeur krijg is: Kun je me vertellen wat ik fout doe, dan kan ik dat verbeteren.

Deze vraag is voor mij niet moeilijk om te beantwoorden maar ik realiseer me dan dat ik met het directe antwoord iemand niet beter kan laten schaatsen. De vraag is namelijk hoe moet ik schaatsen en mijn directe antwoord zou dan zijn: zo moet je schaatsen. Echter, los van de vraag of ik genoeg van deze persoon weet om te weten hoe de ander moet schaatsen, met proberen om op een specifieke manier te schaatsen, gaat die persoon hoekig, geforceerd en gefixeerd op een houding of richting schaatsen. Daarnaast lijkt elke echte verbetering van de schaatsbeweging te verdwijnen als er niet meer geconcentreerd gereden wordt maar bijvoorbeeld achter anderen aan of in een wedstrijdsituatie.

Tijdens mijn lessen trainingen probeer ik me te focussen op wat een rijder kan doen om beter te gaan schaatsen. Ik richt me op opdrachten die schaatsers verleiden/dwingen om vrijer/beter te gaan schaatsen. Ik doe dit door ze meer te vertellen wat ze moeten doen in mijn opdrachten en veel minder te zeggen hoe ze dat moeten doen. Zijn ze bezig met de opdracht, dan kijk ik natuurlijk heel goed hoe ze het doen. Dit verschaft mij informatie voor de volgende opdracht. Deze opdracht is dan weer een (hopelijk verleidelijke) wat.

Ik hoop natuurlijk dat uit mijn verleidingskunsten duidelijk wordt waarom ik de “wat”opdrachten geef. Ik wil natuurlijk wel kunnen uitleggen waarom ik de opdrachten geef. De uitleg is dan een combinatie van hoe wordt er geschaatst en wat kun je doen om dat te verbeteren.

Waar begin je? Natuurlijk bij wat iemand kan. Als je ziet wat iemand kan en je weet de leerbehoefte, dan volgt daaruit de eerste “WAT” laat je deze cursist(en) doen.

Een paar voorbeelden/suggesties:
Jeugd:

Volwassenen:

Voor de praktijk van een methodische opbouw van schaatslessen komen er wel wat meer verschillen tussen de lessen voor jeugd en volwassenen. Echter, er is geen eenduidige scheidslijn. Gebruik gerust zaken die genoemd worden bij jeugd voor volwassenen en vice versa.

Variatie en herhaling lijken bij het geven van schaatsles twee elkaar uitsluitende zaken. Echter, dat is niet het geval en beide vormen het DNA van je schaatslessen.

 

Deel 2 (onder constructie)

Een voorbeeld(jeugdlessen):

Je geeft een les aan een groepje jeugd en je werkt met een grote pionnenbaan.
Je geeft een opdracht en na een rondje staan alle kinderen weer te wachten op je volgende leuke opdracht(variatie).

Dus;