qua opbouw van een les

De meest gebruikte lesindeling is die waarbij je onderscheid maakt in vier lesonderdelen:

De inleiding 

Het doel van de inleiding is om zowel lichamelijk als geestelijk ‘warm’ te worden. Lichamelijk om blessures te voorkomen, geestelijk om in de sfeer van de les te komen en de dagelijkse beslommeringen even opzij te zetten. Door het geven van een simpele rijopdracht, dus coördinatief niet te ingewikkeld, kun je dit bewerkstelligen. Hierbij kun je alvast de aandacht vestigen op een aspect dat je straks wilt gaan verbeteren of je kan een aspect uit de vorige les, dat nu beheerst wordt, nog even terug laten komen indien je daar later verder mee gaat. De inleiding kun je ook gebruiken om de lintjes uit te delen, enkele huishoudelijke mededelingen te doen (dit kan ook aan het slot), iets over de les van vandaag te vertellen maar vooral om even bij te kletsen met de cursisten. Totaal mag het uitdelen van de lintjes, verzamelen, opdracht geven en inrijden, niet langer dan 10 minuten duren.

In de kern probeer je de cursisten, simpel gezegd, schaatsen te leren. Meest gebruikelijk is om de kern in twee gedeelten te verdelen: kern A, en kern B.

Kern A 

gebruik je om de cursisten iets nieuws aan te leren of om een al bekend aspect verder uit te diepen. Het is een lesdeel dat in het teken staat van ‘leren’ en ‘oefenen’. Het wordt ook wel het ‘aanlerend gedeelte’ genoemd. De opdrachtsoort die in dit gedeelte goed past is de oefening. De veel gebruikte werkvormen zijn: groepsgewijs oefenen, individueel oefenen of oefenen in tweetallen.

Je hebt in kern A tijd voor ongeveer drie opdrachten in totaal 20 tot 25 minuten. Houdt je uitleg dan kort.

Het doel van kern B is een aspect dat al eerder is gepasseerd als aan- lerend gedeelte (in dezelfde les of in een eerdere les) te herhalen en in te laten slijten.

Het lesdeel staat in het teken van ‘doorgaande beoefening’. Verschillende opdracht soorten en verschillende werkvormen zijn hier geschikt voor. Afhankelijk van het doel van dit lesdeel.

Je hebt in kern B tijd voor 2 of 3 opdrachten. In totaal is dat 15 tot 20 minuten.

Door het gebruik van twee leskernen kun je in een les twee verschillen- de lesthema’s aan de orde stellen. Voordeel van een dergelijke indeling is dat in het begin van de les de cursisten nog fris zijn en beter in staat zijn om nieuwe bewegingen aan te leren, de coördinatie is beter. Na-deel kan zijn dat je merkt dat één of twee oefeningen/opdrachten extra, net het kwartje kunnen laten vallen bij de cursist. In een dergelijk geval ga je nog even door.

Een ervaren instructeur voelt dit punt beter aan dan een beginnende instructeur. Als je twijfelt, kun je natuurlijk altijd aan de cursisten vragen of ze nog door willen oefenen.

Het doel van het slot is een soort climax te bereiken in de lesopbouw, of anders ruimte te geven om rustig uit te rijden en nog enkele vragen te beantwoorden. In dat geval moet er al een climax geweest zijn aan het eind van kern B. Een belangrijk moment van het slot is de laatste keer dat iedereen bij elkaar komt. Dat is het moment om nog even een persoonlijke tint aan je les te geven, huishoudelijke mededelingen te doen, lintjes in te nemen en afscheid van elkaar te nemen. Dit is het werkelijke slot van de les. Voorbeeld van een slotopdracht kan zijn om een aantal ‘ultieme rondjes’ te laten schaatsen waarbij ze al het geleerde van vandaag laten zien. Dit is tevens voor jou een goed evaluatiemoment.

In een uur schaatsles bij Duosport moet netto 40 minuten geschaatst kunnen worden. Er moet voldoende gelegenheid zijn om de schaatstechniek te verbeteren terwijl er ook plaats voor gezelligheid moet zijn. Een goede lesindeling en lesvoorbereiding maken, kunnen helpen dit doel te bereiken.

Voor een beginnende lesgever is het belangrijk dat je binnen een les gebruik kunt maken van een bepaalde voorbedachte organisatie: een kapstok waar je je les aan kunt ophangen. Een organisatievorm die duidelijkheid geeft en waar je altijd op terug kunt vallen.