met als aandachtspunt: frequenties

In iedere ijsbaanbocht die je rijdt moet je 180° om. De frequentie in een bocht is niet door de schaatser zelf te kiezen. De frequentie wordt opgelegd door de snelheid en de grootte van de afzet. Deze twee eenheden staan in een bepaalde verhouding tot elkaar. Stel dat je per slag 18° van richting verandert, betekent dit dat de schaatser 10 slagen moet maken. Als een schaatser met een matige snelheid heel veel, of heel krachtige slagen maakt, zal hij steeds meer naar de binnenkant van de bocht gaan. Hoge snelheid gecombineerd met weinig of te zwakke slagen betekent dat je richting de boarding zal gaan.