met als aandachtspunt: plaatsing

Voor een dynamisch evenwicht zal je ervoor moeten zorgen dat je schaatsen aan de rechterkant van het lichaamszwaartepunt op het ijs komen te staan. Op het moment dat je je schaats meer onder het lichaamszwaartepunt plaatst, is de hang weg. Het evenwicht is dan verstoord en je zal de bocht uitglijden.

Om dit te voorkomen zul je de schaatsen dus zo moeten plaatsen dat je blijft hangen. Deze figuur laat zien dat beide schaatsen (Ls en Rs) buiten het lichaamszwaartepunt (Fz) worden geplaatst.

De schaats wordt pas geplaatst als de afzet volledig is afgemaakt. Niet teveel naar binnen stappen, schuin blijven. In de praktijk betekent dit dat de pasjes de bocht smal moeten houden. Dus geen grote overstappen. Smalle pasjes betekent niet automatisch dat de slagen korter worden.

Ingaan van de bocht: Doorslaggevend bij het lopen van een goede bocht is op de juiste wijze de bocht ingaan. Rijdt eerst het hele rechte stuk tot en met de laatste slag af zoals het hoort. Begin de bocht daar waar het rechte eind afbuigt naar links. Vervolgens ga je in de bocht hangen door je afzet met rechts helemaal af te maken. Zó ga je goed schuin in je rechter been hangen. Hierdoor maak je ruimte om je linkerschaats op de buitenkant neer te zetten. Plaats de linkerschaats niet te vroeg, pas aan het eind van de afzet met rechts, en plaats hem goed schuin. Doe je dit goed, dan hang je en volgt de rest vanzelf.