Week 3 (2021)

Een trainingsles en een achtergrond staan onder aan deze pagina

Om echt te leren schaatsen moet je gewoon schaatsen. Je moet het ijs op, je moet het voelen, glad ijs, ruw ijs, nat ijs. Je wilt mensen zien, achter mensen aan schaatsen, kijken hoe zij het doen. Je moet eruit, tegen de wind in.

Je kunt wel iets leren van de digitale wereld. Het kan iets verduidelijken, het kan iets duiden. In ons handboek hebben we filmpjes van alle thema’s voor de verschillende doelgroepen. Als je de uitleg meer duiding wilt geven kun je naar de filmpjes kijken onder de volgende knoppen.

Filmpjes voor Beginnende Schaatsers, Filmpjes voor Middengroepers, Filmpjes voor Gevorderde Schaatsers

De thema’s van deze week: Glijden en Sturen en (bocht) Houding en Afzet (gewicht verplaatsen). Fysiek wordt deze week Behendigheid en Uithoudingsvermogen aangesproken. Schaatsen gaat over balans. Je staat als het ware op de schaats en dan kom je van Balans al snel bij Sturen (van de schaats). Als je het over sturen hebt praat je eigenlijk ook over glijden – snijden en remmen.

Een sturende schaats betekent o.a. voldoende druk, een kloppende houding en schuin hangen voor/tijdens het afzetten. Dit geldt zowel voor het rechte eind als de bocht.

Bij beginnende schaatsers ligt het accent op steeds iets langer glijden, steeds iets langer op één been kunnen staan. Je lichaamsgewicht steeds iets langer op je schaats houden. Dit maakt dat je straks beter kunt afzetten, die afzet beter kunt benutten en de tijd hebt om “pootje over” te kunnen doen.

Bij Middengroepers ligt het accent op steeds langer op één te kunnen staan. Op die manier kun je de schaats sturen met je gewicht en steeds beter afzetten. Ook heb je steeds meer tijd om een effectieve overstap (in de bocht) te kunnen maken.

Bij Gevorderde schaatsers ligt het accent op een steeds effectievere slag. De oefeningen maken dat je meer tijd krijgt om ook echt je vermogen (afzet) kwijt te kunnen met als resultaat dat je makkelijker meer snelheid krijgt.

Uitgangspunt 6 (rechte eind)

Meer snelheid vereist meer terugsturen van de schaats. Om voldoende tijd/ ruimte te geven voor kracht tegen het ijs.
Om goed dwars op de richting van schaats af te kunnen zetten(uitgangspunt 2). Moet de schaats tijdens de glijfase niet van je weg sturen maar met je mee blijven glijden. Ook tijdens de afzet.

Uitgangspunt 3. (bocht)

Een kleinere kniehoek geeft meer afzet potentie. Of dat ook waargemaakt kan worden hangt van allerlei factoren af.

Uitgangspunt 4 ( bocht.)

Een scherpere hoek tegen het ijs geeft een meer horizontale component van de afzet. Het gaat om de hoek tussen ijs en LZP. Hoe je dat doet(knie naar binnen, rechtdoor of naar buiten maakt in principe niet uit).

Uitgangspunt 5 (bocht en rechte eind)

Meer gewicht/druk/kracht tegen het ijs geeft meer kracht terug van het ijs. Dit geldt voor zowel het rechte eind als de bocht. 

Stabiliteit en houding zijn belangrijk om voldoende gewicht tegen het ijs te kunnen zetten in de juiste richting. Om power te kunnen leveren moet er wel iets zijn om voldoende lang power tegen te kunnen leveren. Dit moet resulteren in een goede gewichtsverplaatsing(timing en richting)

Fysieke uitgangspunten deze week

Behendigheid
Het vermogen om de positie van het alle lichaamsdelen efficiënt te veranderen/aan te passen aan de situatie.
Deze behendigheid is nodig in elk onderdeel van de schaatsslag.

Uithoudingsvermogen
Het kunnen volhouden een activiteit.

Kun jij een opdracht lang volhouden. Hoe moe word jij ervan. Dit maakt of je iets langer kunt oefenen en iets langer en/of meer oefenen maakt dat je het sneller leert.

Wat zegt onze opleider

Een Trainingsles