Oefening/Aanwijzing

Binnen de lessen van Duosport wordt door de instructeur zowel oefeningen als aanwijzingen gegeven. Maar wat is nu precies het verschil tussen deze twee vormen.

 

Instructeurs gebruiken een oefening om cursisten iets te laten voelen. Je verandert iets in de slag om iets in de slag te benadrukken. Bijvoorbeeld: schaats en raak met je handen je kuiten aan om compact te blijven. Na een oefening moet je altijd een schaatsopdracht geven om de oefening in de schaatsslag in te passen. Daarom is dit een indirecte manier van aanleren. Er zijn echter geen goede en geen slechte oefeningen. Het gaat om het effect ervan. Wij vragen onszelf en elkaar daarom ook altijd: waarom deze opdracht? wat wil je ermee bereiken en is dat gelukt?

Het geven van een aanwijzing is de meest directe manier van lesgeven. Een aanwijzing wordt gegeven in de gewone schaatsbeweging. Je geeft de cursist een aanwijzing over hoe hij of zij beter kan schaatsen. Als de aanwijzing opgevolgd wordt, gaat de cursist inderdaad beter schaatsen. Een aanwijzing leidt daarom ook direct tot een betere techniek.

Werkt een aanwijzing niet, dan kan een oefening gebruikt worden om de cursist beter te laten voelen wat je bedoelt.